Stap 10

Uitkap = plenteren op z’n Nederlands

Bij natuurvolgend bosbeheer worden twee typen bomen geoogst:

  1. dunning: van bomen die elkaar hinderen in de groei, wordt steeds één boom gekapt (soms twee of meer); en
  2. eindkap: de bomen die de financiële doeldiameter hebben bereikt.

Samen noemen we dat uitkap. Je kapt uit permanent bos. In Centraal Europa wordt dat plenteren genoemd, en zo´n bos plenterbos. Dat in tegenstelling tot kaalkap, waarbij het hele bos in één keer geveld wordt.

Uitkap kan eindeloos worden voortgezet, zelfs al bestaat het bos merendeels uit licht-eisende boomsoorten die zich niet in de schaduw van grote bomen kunnen verjongen. Uiteindelijk ontstaat er door het voortdurend uitkappen altijd een moment dat er zóveel licht op de bodem valt dat alle boomsoorten die er van nature horen, zich kunnen vestigen en doorgroeien.

Die bosverjonging komt er dan ook. Meestal in een heterogeen patroon van boomsoorten en -leeftijden. De omstandigheden in het natuurvolgende bos zijn immers nooit overal gelijk. In zulk bos bomen uitkappen is plenteren op z’n Nederlands: het bos het werk laten doen, ongeacht de boomsoorten, en vakkundige keuzes maken bij het oogsten. De dichtheid van het bos zal daarbij variëren, van heel gesloten tot vrij open. Er ontstaat een gevarieerd bos met grote biodiversiteit, en risicoloze opbrengsten. Wie heeft het nog over noodlijdend bosbeheer?

In de bovenstaande stappen is natuurvolgend beheer uiteengezet. Daarbij is steeds het uitgangspunt dat het bos uit de daar van nature voorkomende bomen bestaat, inheemse bomen dus. Met die boomsoorten wordt geplenterd. En doordát het bos uit de inheemse soorten bestaat is dat plenteren “natuur-inclusief”.

Exoten plenteren

Er is ook bos in Nederland dat bestaat uit exoten, uitheemse boomsoorten, zoals de douglasspar, fijnspar en lariks. Deze boomsoorten lenen zich ook heel goed om te plenteren. Hun stammen zijn meestal recht en het hout is waardevol. Met het plenteren in exotenbos is daarom goed geld te verdienen. Het is effectief productiebos. Met dat doel werden de uitheemse bomen oorspronkelijk ook geplant. Niet om natuurwaarden na te streven. Zij brengen immers geen oorspronkelijke Nederlandse natuur in.

Geld verdienen is nog steeds de belangrijkste reden om exotenbos te hebben. En als het daar om gaat kan je in zo’n bos maar beter zo weinig mogelijk ruimte laten innemen door boomsoorten die trager groeien en minder opbrengen, zoals de inheemse boomsoorten.

Een bos dat bestaat uit een menging van meerdere boomsoorten is ecologisch robuuster dan wanneer het aantal boomsoorten beperkt is. In een bos waar geld verdienen het hoofddoel is, zou dat robuustere tot uiting moeten komen in hogere verdiensten. Dat effect is voor de menging van exoten met inheemse boomsoorten nooit aangetoond. Zolang dat het geval is, is het zinnig om bestaande menging van inheemse soorten met exoten te koesteren, maar geen kosten te maken om zo nodig die menging tot stand te brengen.

Exotenbos is overigens alleen winstgevend als het er al is (en dus niet aangelegd hoeft te worden), en plenterend wordt geëxploiteerd. Als het eerst nog moet worden aangelegd, valt er niet aan te verdienen. Daarvoor zijn de aanlegkosten te hoog en loopt de rente over de aanleginvestering, in de decennia dat de investering loopt, te veel op.

Exoten maken geen deel uit van de natuurlijke boomsoorten, en zijn daarom geen doelsoorten van de natuurbescherming. Plenteren van exoten levert weliswaar goed geld op, maar het is niet “natuur-inclusief”.

Exotenbos, veel opbrengst, weinig natuur.

In het inheemse bos wil je tegelijkertijd natuurwaarde en houtproductie realiseren. Daarom is het opgebouwd uit de boomsoorten die de natuurbeschermingsdoelen dienen, de inheemse soorten. Het is niet logisch om daar exoten bij te mengen. Met hun beperkte natuurwaarde dragen die niet bij aan het natuurdoel, maar nemen wel ruimte in waar inheemse boomsoorten hadden kunnen groeien. Het exploiteren van exoten te midden van inheems bos is bovendien onpraktisch, en leidt tot schade aan het inheemse bos.

Ruimtelijk scheiden van inheems- en exotenbos in grotere eenheden komt de functievervulling en efficiency van beide zeer ten goede.

Conclusie

Alleen als je plentert, of uitkapt, kun je werkelijk aan bos geld verdienen. Bij exotenbos is dat meer dan bij inheems bos. Plenteren van inheems bos levert weliswaar minder geld op, maar aanzienlijk meer natuur- en belevingswaarde.

Slot

Bosbeheer is niet hetzelfde als landbouw met bomen. Bos is geen “gewas”.

Als van een groot bos een deel als gewas, via kaalkap, wordt geoogst, wordt feitelijk een stuk boskapitaal te gelde gemaakt of geliquideerd. Dat is niet hetzelfde als winst maken, want daarmee is een deel van het kapitaal opgeofferd.

Het “bos” dat op de kaalgekapte vlakte weer wordt aangelegd moet dat verloren kapitaal weer gaan opbouwen. Dat brengt aanleg- en rentekosten met zich mee en gaat lang duren. De gemaakte kosten worden zelden terugverdiend uit de toekomstige opbrengsten van het hout. Een allerminst duurzaam systeem.

Er wordt wel eens de truc toegepast om kaalkap rendabel te doen lijken, door geen rentekosten mee te tellen. Alsof geld gratis eindeloos te lenen is. Of met het argument dat de kaalkapoogst genoeg geld opleverde om nieuw bos aan te leggen. Daarbij wordt er dan aan voorbij gegaan dat dit geld ook voor andere, rendabeler, investeringen gebruikt had kunnen worden. De rente die met die alternatieve investering had kunnen worden verdiend wordt opportunity cost genoemd. Dat rentepercentage moet dan als kostenpost worden gerekend bij het aanleggen van het nieuwe bos.

Dan blijkt dat elke investering die zo veel decennia vastligt, zoals met boompjes die héél lang nodig hebben om een verkoopbare maat te krijgen, onrendabel is. Als de aanleg van zo’n nieuw bos ook nog gepaard gaat met bodembewerking, treedt er bovendien verlies aan bodemvruchtbaarheid op en vindt uitstoot van koolstof plaats. Een onverantwoorde aanpak dus.

Gelukkig biedt de natuur ons een uitweg doordat het bos zich van nature ontwikkelt. Dat biedt deze voordelen:

  1. de biodiversiteit blijft behouden;
  2. de belevingswaarde groeit;
  3. de vastgelegde hoeveelheid koolstof neemt toe;
  4. de mineralenhuishouding en het vochthoudend vermogen van de bodem worden in tact gelaten;
  5. er kan kosteloos op kleine schaal hout uit worden geoogst.

Met natuurvolgend beheer blijft het een bosecosysteem.

Zo draagt het bos optimaal bij aan de maatschappelijke wensen van vandaag. Het blijft dat net zolang doen als de beheerder zijn vak goed verstaat.

Meer lezen over natuurvolgend bosbeheer? Over hoe de naaldbossen in Nederland zich op natuurlijke wijze ontwikkelen tot loofbossen? Lees het artikel: “Verloofing van het bos.”.